Trendbeschouwing over de instroom van doelgroepwerknemers

In vorige legislatuur was er controverse over de screening en toeleiding van doelgroepwerknemers in de lokale diensteneconomie. De groep werd qua afstand tot de arbeidsmarkt 'homogener' en ook de afstand zelf werd groter. Wij maakten een gedeeltelijke analyse op basis van nieuwe cijfers. 

Het Departement Werk en Sociale Economie bracht haar jaarlijkse Jaarrapport Sociale Economie uit, ditmaal voor jaargang 2019. Wij legden voor u de jaarrapporten van 2014 tot en met 2019 op een rij en overlopen hieronder enkele trends, alvorens dieper in te gaan op herkenbare oorzaken en gevolgen. 

Algemene evolutie van het doelgroepbereik in LDE

De meest trends hebben wij voor u samengevat in de hiernavolgende grafiek.

  • Vooreerst valt daarin op dat het aandeel kortgeschoolden (grijs) doorheen de jaren min of meer constant bleef (rond de 69%). Voor de jaren 2018 en 2019 weten we ook dat bijna 80% van de doelgroepwerknemers instroomt uit langdurige werkloosheid (> 12 mnd; niet in deze grafiek opgenomen).
  • Een andere vaststelling is dat de doelgroep snel veroudert: van 16,1% 55-plussers in 2018 naar 23,2% 55-plussers in 2019 (oranje). Eerder, in oudere metingen (niet in deze grafiek), zagen we al een toename van 50-plussers van 34% (2014) naar 40% (2017).
  • Ten derde neemt het aandeel personen met een migratieachtergrond (geel) sterkt toe: van 28% in 2014 naar 38% in 2018. Ook zou 13,9% van de doelgroepwerknemers vandaag een beperkte kennis van Nederlands hebben (niet in de grafiek). 
  • En eveneens opvallend: sinds de meting in 2017 steeg het aandeel personen met een arbeidshandicap (blauw) exponentieel van 7% naar 30%.

Verklaringen vanuit de maatschappelijke contexten 

Sommige van de hoger vermelde trends zijn minstens ten dele eigen aan de maatschappelijke verandering en moeten geduid worden als versterking van de positieve impact van LDE op de werkgelegenheidsgraad van bepaalde bevolkingsgroepen.

Lees: de arbeidsmarkt vergrijsde en verkleurde en LDE heeft haar rol in die evoluties prima waargemaakt. De lokale diensteneconomie bereikt gemiddeld ook iets meer 55-plussers dan gemiddeld in de sociale economie (23% versus 20%). Hetzelfde gaat op voor personen met migratieachtergrond (38,1% versus 17,4%) en personen met beperkte kennis van het Nederlands (13,9% versus 8,8%). LDE lijkt hier zelf een sleutelpositie in te nemen, hetgeen wij ook al konden opmaken uit de toegenomen vraag naar taalcoaching vanuit de sector.

Daarnaast is er nog de toename van personen met een arbeidshandicap. Uit de jaarrapporten van het departement blijkt dat ook de voormalige sociale werkplaatsen deze groep sterker dan voorheen is beginnen aannemen. Bovendien is deze doelgroep zeer gevarieerd, wat toelaat om te nuanceren. Maar wat daar ook van zij, voor de lokale diensteneconomie hebben noch maatschappelijke trends, noch beleidsdoelstellingen deze trend aangekondigd. 

Verklaringen op basis van screening en toeleiding

Ook de screening en de toeleiding, waarover in de vorige legislatuur veel controverse was, spelen hier een rol. Een nieuwe manier om instroom te attesteren kan trends en noden op de arbeidsmarkt in een bepaalde richting filteren en dat is vanaf 2015 ook gebeurd. Aanvankelijk viel de toeleiding nagenoeg stil, vrij abrupt zelfs. Vervolgens lieten cijfers zien dat de toeleiding ook homogener was geworden (minder variatie in de profielen). Heel wat ondernemingen hadden intussen laten weten dat de kwaliteit en de continuïteit van hun dienstverlening daaronder te lijden hadden. Enkele richtlijnen aan VDAB hebben sinds 2017 voor beperkte aanpassingen gezorgd, maar wat eerst als 'kinderziektes' was benoemd bleek een forse, unilaterale bijstelling van de tewerkstellingsvoorwaarden in onze sector. Wat dit alles met zich kan meebrengen, lieten we eerder al zien in een casusonderzoek naar lokale diensten voor occasionele kinderopvang.

Arbeidscontinuüm

In de sector heerst vandaag consensus dat nieuwe instromers een structureel grotere afstand tot de arbeidsmarkt hebben dan voorheen. De vorige cijfers lichten daarover een tip van de sluier op. Meer dan voorheen zet het beleid in op personen met een precieze arbeidshandicap of psychosociale problematiek en minder op personen die enkel getroffen zijn door maatschappelijke breuklijnen (scholing, werkervaring) en omstandigheden in de eigen leefwereld. Deze laatsten vormen echter de initiële doelgroep waarvoor de overheid de meeste lokale diensten in het leven heeft geroepen: een groep die te sterk is voor werk op een beschermde werkvloer maar tijdelijk of langer nood heeft aan een laagdrempelige arbeidscontext. Lokale diensten regelen dat stukje van het arbeidscontinuüm, gelegen tussen maatwerk en het normaal economische circuit. Hun rol is te zorgen voor positieve arbeidsstromen over die drempels heen. 

De situatie zet druk op ondernemingen en eventueel ook opdrachtgevers. Ondernemingen moeten zich niet alleen grotere inspanningen getroosten op het vlak van begeleiding. Ze moeten dat ook doen bij teruglopende overheidsfinanciering (regressie op SINE). Ook zijn er grenzen aan de inspanningen die nodig zijn om deze omstandigheden diensten kwaliteitsvol te laten lopen.  

---

In een volgend bericht gaan we dieper in op de evolutie van de vrouwelijke tewerkstelling in onze sector.