Voor 2027 bespaart de Vlaamse regering 1,9 miljoen euro over de beleidsdomeinen heen. Ook voor de lokale diensteneconomie heeft dat gevolgen. Onze sector geeft aan sociale economie een publieke invulling en hangt daardoor af van de begrotingen van verschillende overheden. Lokale diensten of buurtdiensten staan in voor activering, jobcreatie en maatschappelijke dienstverlening. Ze doen dat in hoofdzaak in opdracht van lokale besturen. Tot een derde van hun financiering betrekken ze nog uit het Vlaamse individueel maatwerk.
Besparingen zetten lokale besturen onder druk
Onze voornaamste partners, de lokale besturen, bevinden zich sinds de federale beslissing om mensen de werkloosheid door te schuiven naar de bijstand (het leefloon) in moeilijk water. De lokale activeringslast en de kosten voor het leefloon lopen vandaag en de volgende jaren hoog op. Besturen die willen activeren hebben er alle baat bij om buurtdiensten aan te zwengelen, maar zij moeten soms harde knopen doorhakken en hebben bij iedere verandering van beleidscontext tijd nodig om hun beleid en meerjarenbegroting aan te passen. Dat vormt onderbrekingen, ook in de investering van besturen in goedlopende buurtdiensten.
De nieuwe besparing komt voor onze sector boven op wat een jaar geleden is beslist over het budget voor ALD (aanvullende lokale diensten). Dat budget was bij de uitfasering van het decreet lokale diensteneconomie ingesteld voor de leefbaarheid van de buurtdiensten in de sociale economie, maar finaal werd die belofte verbroken. Het budget werd immers zonder voorwaarden overgezet naar het Gemeentefonds, dat wil zeggen ontdaan van het oogmerk om maatschappelijke diensten in het kader van DAEB te garanderen. Wel steeg het budget toen van 10 naar 15 miljoen, maar die versterking valt nu door de omvang van de nieuwe besparingen kleiner uit. Diezelfde middelen worden overigens niet geïndexeerd.
Minder middelen voor werk, grotere activeringsnoden
Een tweede belangrijk element is de zeer grote besparing van 431 miljoen euro op het beleidsdomein Werk. Deze besparing zal voornamelijk de activeringsdruk bij het lokaal bestuur verhogen. Hier vallen vooral middelen weg bij VDAB en voor de dienstencheques. Minder middelen voor VDAB terwijl activeringsnoden toenemen, betekent minder gezamenlijke slagkracht voor VDAB en OCMW’s om de uitstroom van leefloon naar werk aan te pakken. Minder opbrengsten in de sector van de dienstencheques zal zich heel divers vertalen, maar naar alle verwachting ook in arbeidscontracten met minder uren en een hogere vraag naar aanvullende leefloon. Natuurlijk komen buurtdiensten dan in beeld als een meer interessante investering, maar een OCMW kan middelen die al opgaan aan leefloon, niet gelijktijdig in sociale economie stoppen.
Begeleiding in de sociale economie
Een derde besparing situeert zich in de sociale economie zelf. De Vlaamse regering bespaart 7 miljoen in de begeleidingspremies voor het individueel maatwerk. Deze inperking komt boven de besparing van 9 miljoen van vorig jaar. De premiebedragen blijven dezelfde maar het is al moeilijk om begeleidingspremies te activeren en er rijzen vragen over de mind-set rond deze maatregel. Begeleiding is essentieel in de sociale economie, ook al erfde het individueel maatwerk niet alleen LDE (lokale diensteneconomie) en SINE (sociale inschakelingseconomie) maar ook het meer ‘reguliere’ VOP (Vlaamse ondersteuningspremie).
Met minder aandeel in de begeleiding dreigt de maatregel verder weg te drijven van het hart van de sociale economie. Voor de lokale diensten is de begeleidingspremie anders ook wel een essentiële component in de klaverbladfinanciering. Ook het gemiddelde niveau van de financiering per vte in het individueel maatwerk wordt mee door de begeleidingspremie bepaald. Dit aandeel van het klaverblad uit sociale economie is belangrijk omdat lokale diensten in het aanvullende kader werken (diensten van algemeen economisch belang zijn), en vanuit hun opdracht niet kunnen uitwijken naar andere marktsegmenten of dito inkomsten.
Nood aan een stabiel beleidskader voor lokale diensteneconomie
Als Koepel LDE kunnen we hier alleen maar heel scherp op reageren. Onze sector is een volwaardig onderdeel van de sociale economie maar beschikt niet over een stabiel kader. Er zijn de degressieve premies voor het individueel maatwerk en verder is er een budget voor lokale sociale economie dat niet meer aan maatschappelijke dienstverlening is verbonden. Met de nieuwe ingrepen op het lokaal niveau en in de sturing van het individueel maatwerk, lopen de doelgroepen van een waardevol instrument het risico om mee in de kou te staan. Er zijn bijsturingen nodig om die risico’s te milderen.
Kansen om lokale sociale economie sterker te verankeren
Positief is wel dat de minister van Sociale Economie in haar beleidstoelichting een opdracht geeft aan het departement om de lokale besturen te ondersteunen bij de uitbouw van hun lokaal sociale-economiebeleid, gericht op kennisdeling, praktijkuitwisseling en netwerking. Dat kan volgens haar toelichting ook gaan over de toepassing van de DAEB-regelgeving, wat traditioneel een bouwsteen is voor opdrachten van besturen aan lokale diensten. Daar liggen dus voor haar wel opportuniteiten om onze sector beter in beeld te brengen. Als Koepel blijven wij impact van het beleid op het terrein scherp opvolgen.